Scroll naar boven

Wil je op de hoogte blijven van alle updates rondom het pensioenakkoord?

Vul je e-mailadres in en je ontvangt bericht zodra er belangrijke ontwikkelingen zijn.

Uitwerking Pensioenakkoord

Het kabinet heeft samen met sociale partners het pensioenakkoord afgerond in juni 2020. Op deze site lees je de belangrijkste uitwerkingen van de gemaakte afspraken uit het pensioenakkoord. De gemaakte afspraken in het pensioenakkoord zijn onder andere:

  • Een beter nabestaandenpensioen. Dit wordt geregeld in de Wet toekomst pensioenen.
  • Een pensioenstelsel dat beter aansluit op de arbeidsmarkt en op de ontwikkelingen in de maatschappij. Dit wordt geregeld in de Wet toekomst pensioenen.
  • Een minder snelle stijging van de AOW-leeftijd. Dit is geregeld in de Wet temporisering AOW-leeftijd.
  • Eenmalige afkoop van maximaal 10%. Dit wordt geregeld in de Wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen.
  • Betere pensioenafspraken voor vervroegd stoppen met werken voor mensen met zware beroepen. Dit is geregeld in de Wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen en in sommige cao’s.
  • Een verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen. In 2023 wil het kabinet dit wetsvoorstel verder uitwerken. De verplichtstelling gaat op zijn vroegst in tussen 2027 en 2029.
De Wet toekomst pensioenen moet nog worden goedgekeurd door de Tweede en Eerste Kamer. Door de complexiteit van de wetgeving is het belangrijk om jezelf wel alvast voor te bereiden op het nieuwe pensioenstelsel.

Wet toekomst pensioenen

Het nieuwe pensioenstelsel komt eraan. Het wetsvoorstel Wet toekomst pensioenen is inmiddels ingediend bij de Tweede Kamer door de minister van Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen. De Memorie van Toelichting bestaat uit ruim 300 pagina’s. We hebben de relevante onderdelen samengevat, zodat je je op tijd kunt voorbereiden. Dit is nodig ook, gelet op de complexiteit van de wetgeving en door alle wijzigingen.

Het nieuwe pensioenstelsel gaat iedereen raken die inhoudelijk klantcontact heeft over ‘de oudedag’, maar vooral de adviseur Wft Vermogen, Wft Pensioen en Wft Hypothecair Krediet door de volgende punten:

  • Wijzigingen in de pensioencontracten, waaronder de nieuw solidaire premieregeling.
  • Belangrijke wijzigingen in de tweede en derde pijler voor opbouw van vermogen.
  • Het partnerpensioen voor de pensioendatum wijzigt, wat gevolgen heeft voor het life-event overlijden.
  • Vele andere wijzigingen op pensioengebied, zoals aankomende afschaffing van FOR en een eenmalige afkoopmogelijkheid van 10% van het ouderdomspensioen vanaf 1 juli 2023.

Doelen nieuw pensioenstelsel

Wijzigingen

Het pensioenstelsel wordt vernieuwd. Onder andere de volgende onderdelen wijzigen door de Wet toekomst pensioenen:

  • Het nabestaandenpensioen wordt gestandaardiseerd.
  • Het kabinet gaat nieuwe regels uitproberen voor de pensioenopbouw voor zelfstandigen.
  • De wachttijd wordt korter voor uitzendkrachten bij deelname aan een pensioenregeling.

Doelen wetswijziging

De wetswijziging heeft de volgende doelen:

  • eerder kans op verhoging van de pensioenuitkering;
  • een uitlegbaar en persoonlijk pensioenstelsel; en
  • een pensioenstel dat beter aansluit bij de samenleving en de arbeidsmarkt.

Behouden onderdelen uit huidig pensioenstelsel

De volgende onderdelen blijven behouden in het nieuwe pensioenstelsel:

  • Iedere deelnemer kan 75% van het gemiddelde loon aan pensioen opbouwen in 40 jaren of 80% in 42 jaren.
  • Deelname aan een bedrijfstakpensioenfonds of beroepspensioenregeling kan nog steeds worden verplicht.
  • De volgende pensioenen blijven bestaan:
    • levenslang ouderdomspensioen;
    • tijdelijk en levenslang partnerpensioen en wezenpensioen;
    • arbeidsongeschiktheidspensioen;
    • premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid bij de drie eerder genoemde pensioenen; en
    • nettopensioen.

Nieuw pensioenstelsel

Het nieuwe pensioenstelsel bestaat uit de volgende onderdelen:

  • Iedere pensioenregeling wordt een premieregeling. Een deelnemer krijgt een premie toegezegd in zijn arbeidsvoorwaarden door de werkgever.
  • De premie wordt niet-leeftijdsafhankelijk en de doorsneepremie wordt afgeschaft. Dit maakt oudere werknemers aantrekkelijker op de arbeidsmarkt en jongere werknemers kunnen meer pensioen opbouwen.
  • De fiscale behandeling van de tweede pijler en de derde pijler wordt zoveel mogelijk gelijk aan elkaar. Het fiscale kader blijft zo veel mogelijk hetzelfde de komende jaren als het nieuwe fiscale kader in is gegaan.
  • Deelnemers krijgen extra fiscale ruimte tot 2037. Dit geldt alleen voor deelnemers die erop achteruitgaan door het nieuwe pensioenstelsel.
  • De hoogte van het levenslange ouderdomspensioen is vooral afhankelijk van:
    • de hoogte van de premie-inleg;
    • het beleggingsbeleid;
    • de behaalde rendementen;
    • de levensverwachting; en
    • de rentestand.

Praktische tip

Begint een jonge deelnemer met pensioenopbouw volgens de premieregeling in het nieuwe pensioenstelsel met een niet-leeftijdsafhankelijke premie? Dan kan de ingelegde premie over een lange periode rendement maken. De verwachting is dat de uiteindelijke pensioenuitkering hierdoor hoger wordt vergeleken met de huidige premieregelingen. De verwachte pensioenuitkeringen voor toekomstige generaties zullen wel lager uitvallen vergeleken met de huidige uitkeringsovereenkomsten.

Pensioen­contracten

In het nieuwe pensioenstelsel bestaan nog drie soorten pensioencontracten.

Het gaat om de volgende pensioencontracten waaruit gekozen kan worden:

  1. Solidaire premieregeling
    Dit is een nieuwe premieregeling in het nieuwe pensioenstelsel.
  2. Flexibele premieregeling
    Dit is grotendeels vergelijkbaar met de bestaande zuivere premieovereenkomst.
  3. Premie-uitkeringsovereenkomst
    Dit is grotendeels vergelijkbaar met de bestaande premie-overeenkomst, waarbij de premies direct worden omgezet in een aanspraak op een uitkering.

Alle pensioenuitvoerders kunnen de eerste twee pensioencontracten uitvoeren. Alleen verzekeraars kunnen het laatste pensioencontract uitvoeren, omdat dit contract een pensioen verzekert. De huidige uitkeringsovereenkomsten en kapitaalovereenkomsten zijn niet meer mogelijk onder de Wet toekomst pensioenen.

Overzicht verschillende kenmerken pensioencontracten

Kenmerken Solidaire premieregeling Flexibele premieregeling Premie-uitkeringsovereenkomst
Regeling Premieregeling. Premieregeling. Premieregeling.
Beleggingsbeleid Een collectief beleggingsbeleid met indeling van leeftijdsgroepen met mogelijk afwijkende risicohouding en vooraf vastgestelde verdeelregels voor deelnemers en pensioengerechtigden. Geen keuzevrijheid in beleggingsprofiel per deelnemer. Beleggingsmix per leeftijdsgroep. Beleggingsbeleid op basis van lifecycle. Mogelijk keuzevrijheid in beleggingsprofiel per deelnemer. Beleggingsmix per leeftijdsgroep. Beleggingsbeleid op basis van lifecycle. Mogelijk keuzevrijheid in beleggingsprofiel per deelnemer.
Opgebouwde aanspraken overhevelen in het kader van shoprecht Geen shoprecht, ondanks de variabele pensioenuitkering. Beperkt shoprecht. Alleen mogelijk voor zover de keuze voor een vaste uitkering nog niet gemaakt is.
Opbouwfase en uitkeringsfase De opbouwfase en uitkeringsfase zijn niet langer gescheiden. De opbouwfase en uitkeringsfase zijn gescheiden van elkaar. De opbouwfase en uitkeringsfase zijn gescheiden van elkaar met de mogelijkheid vanaf 15 jaar voor de AOW-leeftijd in de opbouwfase om een vaste pensioenuitkering aan te kopen.
Pensioenuitkering Variabele pensioenuitkering. Keuze voor variabele of vaste pensioenuitkering, waarbij vast de standaard is. Kiest een deelnemer voor de variabele pensioenuitkering? Dan mag de deelnemer doorbeleggen na pensionering.

 

Keuze voor variabele of vaste pensioenuitkering. Vanaf 15 jaar voor de AOW-leeftijd is het mogelijk om een vastgestelde uitkering aan te kopen. Het is ook mogelijk om de uitkering gedeeltelijk vast te zetten op de pensioeningangsdatum.
Opvangen financiële meevallers en tegenvallers in beleggingen en levensverwachting Financiële meevallers en tegenvallers worden gedempt
door de leeftijdsafhankelijke risicotoedeling en de verplichte solidariteitsreserve. Daarnaast bestaat de mogelijkheid om de rest van de tegenvallers en meevallers in de uitkeringsfase over maximaal 10 jaar te spreiden.
Financiële meevallers en tegenvallers worden gedempt door de leeftijdsafhankelijke beleggingen en de mogelijke risicodelingsreserve. Daarnaast bestaat de mogelijkheid om de rest van de tegenvallers en meevallers in de uitkeringsfase over maximaal 10 jaar te spreiden. Financiële meevallers en tegenvallers worden gedempt door 15 jaar voor de AOW-leeftijd of later te beginnen met het aankopen van vaste uitkeringen. Er is geen mogelijkheid voor een risicodelingsreserve of solidariteitsreserve.

Praktische tip

Een pensioenuitvoerder mag de leeftijdsgroep met jongeren blootstellen aan meer dan 100% van het beleggingsrisico. Daarvoor gelden de volgende voorwaarden:

  • Een pensioenuitvoerder moet deze keuze onderbouwen.
  • Een pensioenuitvoerder moet regels opstellen om te voorkomen dat de persoonlijke pensioenvermogens negatief worden.

 

Ontvangt een pensioengerechtigde een pensioenuitkering en besluiten sociale partners om over te stappen naar de flexibele premieregeling? Dan krijgt de pensioengerechtigde de keuze om te kiezen voor een vaste of variabele pensioenuitkering. Biedt een pensioenfonds alleen een vaste of alleen een variabele pensioenuitkering aan? Dan heeft de pensioengerechtigde shoprecht.

 

Klik hier voor meer informatie over de verschillen tussen de solidaire premieregeling en de flexibele premieregeling. Klik hier voor een factsheet van de verschillen.

Risicohouding en reserves

Pensioenuitvoerders moeten de risicohouding van deelnemers per leeftijdsgroep duidelijk maken in het nieuwe pensioencontract. De financiële resultaten in de solidaire premieregeling moeten namelijk worden verdeeld over de verschillende leeftijdsgroepen, volgens de risicohouding van de deelnemers. Met de verwachte beleggingsresultaten kan de pensioenuitvoerder beoordelen of deze resultaten gelijk zijn met de risicohouding van deze deelnemers.

Risicohouding

Voor het duidelijk maken van de risicohouding gelden de volgende regels:

  • Een pensioenuitvoerder moet minimaal 1 keer per 5 jaar onderzoek doen naar de risicohouding. Klopt de risicohouding niet vergeleken met de eerdere risicohouding? Dan past de pensioenuitvoerder de risicohouding aan.
  • Een pensioenuitvoerder moet ieder jaar toetsen of het beleggingsbeleid en de verdeelregels nog steeds passen bij de risicohouding. Past dit beleggingsbeleid en de verdeelregels niet meer bij de risicohouding? Dan moet de pensioenuitvoerder aanpassingen doen in het beleggingsbeleid of de verdeelregels.
  • Een pensioenuitvoerder kan alleen één risicohouding voor alle deelnemers duidelijk maken bij uitkeringsregelingen die niet overgaan naar het nieuwe pensioenstelsel en voor vaste uitkeringen bij pensioenfondsen.
  • Een pensioenuitvoerder legt de risicohouding vast in twee maatstaven. Namelijk van de pensioenuitkering in een pessimistisch scenario en in een verwacht scenario. Deze maatstaven gelden voor de opbouwfase en voor de uitkeringsfase. Tot slot geldt een langetermijnrisicomaatstaf om hierdoor de nadelen op de lange termijn in te kunnen zien. Deze extra maatstaf geldt alleen voor de uitkeringsfase.
  • Ook in de uitkeringsfase moet een pensioenuitvoerder rekening houden met de risicohouding van de deelnemer.
  • Verzekeraars en premiepensioeninstellingen (PPI’s) kunnen op productniveau een risicohouding per leeftijdsgroep vaststellen en het onderzoek voor het strategisch beleggingsbeleid op productniveau uitvoeren. Dit is de prudent-person-regel.

Solidariteitsreserve

De collectieve solidariteitsreserve is maximaal 15% van het totale fondsvermogen bij een pensioenuitvoerder. Het meetmoment is op 31 december van ieder jaar. De solidariteitsreserve mag nooit negatief worden. De solidariteitsreserve kan ingezet worden voor de volgende doelen:

  • de risicodeling tussen generaties;
  • de hoogte van de pensioenuitkering stabiliseren; en
  • het delen van het macro-langlevenrisico of het inflatierisico.

De afspraken over de solidariteitsreserve staan vastgelegd in de uitvoeringsovereenkomst en in het pensioenreglement. De afspraken gaan in ieder geval over onderstaande onderdelen:

  • De manier waarop de solidariteitsreserve wordt gevuld.
  • De manier waarop de solidariteitsreserve pensioenvermogens aanvult.
  • De manier waarop de solidariteitsreserve deelt in de risico’s en rendementen.
  • De gewenste en maximale grootte van de solidariteitsreserve.
  • Het beleid bij een lege of volle solidariteitsreserve.
  • De manier waarop de solidariteitsreserve zorgt voor stabiele pensioenen en de risico’s deelt tussen generaties.

De collectieve solidariteitsreserve is een deel van het pensioenvermogen van een pensioenuitvoerder en is bedoeld om de individuele pensioenvermogens en uitkeringen aan te vullen en om risico’s gezamenlijk te delen.

Risicodelingsreserve

De risicodelingsreserve geldt voor de flexibele premieregeling. De risicodelingsreserve is vergelijkbaar met de solidariteitsreserve. De volgende verschillen gelden:

  • De risicodelingsreserve mag alleen met de premie worden gevuld.
  • Sociale partners of de werkgever moeten aangeven wat zij willen bereiken met de risicodelingsreserve en wat de grootte is.
  • Ook moeten zij aangeven hoe de risicodelingsreserve werkt bij een vastgestelde uitkering of bij gebruikmaken van het shoprecht.

Praktische tip

Een deelnemer mag maximaal 10% van de premie beleggen in de solidariteitsreserve. Een deelnemer belegt dus minimaal 90% in zijn persoonlijk pensioenvermogen. Ook mag een pensioenuitvoerder tot maximaal 10% van het overrendement toevoegen aan de solidariteitsreserve.

Waardeoverdracht en overgangsrecht

Wil een deelnemer een individuele waardeoverdracht doen in het nieuwe pensioenstelsel of de waarde overdragen naar een andere pensioenuitvoerder in het kader van shoprecht? Dan krijgt de deelnemer geen deel van de solidariteitsreserve mee. Ook stort de ontvangende pensioenuitvoerder geen deel van het over te dragen vermogen in de solidariteitsreserve.

Waardeoverdracht en shoprecht

Bij de risicodelingsreserve gaat de waarde in de risicodelingsreserve bij individuele waardeoverdracht of bij gebruikmaking van het shoprecht ook niet mee naar de nieuwe pensioenuitvoerder. Dit is in lijn met de regels voor waardeoverdrachten voor de solidariteitsreserve.

Bij collectieve waardeoverdracht zal de risicodelingsreserve wel meegaan naar een nieuwe pensioenuitvoerder, als collectief onderdeel van de pensioenregeling.

Shoprecht betekent dat een deelnemer recht heeft om een uitkering in te kopen met zijn pensioenkapitaal bij een andere pensioenuitvoerder dan waar hij het pensioenkapitaal op heeft gebouwd.

Waardeoverdracht en shoprecht

Bij de risicodelingsreserve gaat de waarde in de risicodelingsreserve bij individuele waardeoverdracht of bij gebruikmaking van het shoprecht ook niet mee naar de nieuwe pensioenuitvoerder. Dit is in lijn met de regels voor waardeoverdrachten voor de solidariteitsreserve.

Bij collectieve waardeoverdracht zal de risicodelingsreserve wel meegaan naar een nieuwe pensioenuitvoerder, als collectief onderdeel van de pensioenregeling.

Shoprecht betekent dat een deelnemer recht heeft om een uitkering in te kopen met zijn pensioenkapitaal bij een andere pensioenuitvoerder dan waar hij het pensioenkapitaal op heeft gebouwd.

Overgangsrecht na 1 januari 2027

Heeft een pensioenuitvoerder nog een pensioenovereenkomst met een leeftijdsafhankelijke premie op 1 juli 2023? Dan geldt overgangsrecht over deze bestaande pensioenovereenkomst vanaf 1 januari 2027 voor bestaande deelnemers. Dit overgangsrecht geldt voor de volgende pensioenovereenkomsten:

  • een premieregeling met een leeftijdsafhankelijke premie;
  • een uitkeringsregeling met een leeftijdsafhankelijke premie uitgevoerd door een verzekeraar;
  • een vrijwillige excedentregeling met een leeftijdsafhankelijke premie; en
  • een risicoverzekering in de vorm van een nabestaandenpensioen en arbeidsongeschiktheidspensioen met een leeftijdsafhankelijke premie. Deze uitzondering geldt niet voor verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen.

Een vrijwillige excedentregeling is een pensioenregeling voor werknemers waarvan het jaarsalaris hoger is dan het maximum jaarsalaris in de pensioenregeling. Over dit hogere deel bouwt de werknemer pensioen op in een vrijwillige excedentregeling.

Praktische tip

Vraagt een deelnemer advies of wil hij begeleid worden bij de keuze om een opgebouwd pensioenkapitaal wel of niet over te dragen naar een andere pensioenuitvoerder? Neem dan de gevolgen voor de solidariteitsreserve of de risicodelingsreserve bij waardeoverdracht en de gevolgen voor wel of niet shoppen goed door met de klant.

 

Deelnemers mogen geen gebruik meer maken van het overgangsrecht voor bestaande pensioenovereenkomsten vanaf 1 juli 2023. Heeft een werkgever nu een pensioenregeling, waarbij de beschikbare premie niet stijgt door bijvoorbeeld een vlakke staffel? Dan kun je deze werkgever erop wijzen dat het overgangsrecht alleen blijft gelden als de werkgever uiterlijk op 31 december 2022 de pensioenregeling aangepast naar een staffel met een leeftijdsafhankelijke premie.

 

Wil de klant gebruikmaken van vrijwillige voortzetting van de huidige pensioenregeling? Onderzoek dan de gevolgen voor de klant bij het doorzetten, verlagen of stopzetten van de pensioenregeling. Sommige wijzigingen in de vrijwillig voortgezette pensioenregeling zijn namelijk mogelijk niet meer te herstellen, vooral als hiervoor gezondheidsvragen gesteld mogen worden.

Projectie­rendement

Alle pensioenuitvoerders moeten gebruikmaken van het projectierendement en de wettelijke parameters. De overheid bepaalt de parameters. DNB bepaalt de scenariosets.

Het projectierendement

Het projectierendement heeft vijf doelen. Voor de eerste vier doelen moet de pensioenuitvoerder gebruikmaken van de scenariosets vanuit DNB. Voor het laatste doel moet de pensioenuitvoerder gebruikmaken van een wettelijk maximaal projectierendement.

1. Communicatie

De pensioenuitvoerder berekent de toekomstige pensioenuitkering met het projectierendement in drie scenario’s:

  1. een pessimistisch scenario;
  2. een verwacht scenario; en
  3. een optimistisch scenario.

2. Fiscale premiegrens en tijdelijke extra fiscale ruimte

Iedere pensioenregeling krijgt hetzelfde fiscale kader. De maximale premie wordt 30% van de pensioengrondslag. Het doel hiervan is dat iedere deelnemer 75% aan pensioen kan opbouwen in 40 jaren of 80% in 42 jaren. Stapt een werkgever over naar het nieuwe pensioenstelsel? Dan geldt het nieuwe fiscale kader vanaf de overstap.

Het kabinet zet de premiegrens van 30% vast in de wet. Van 1 januari 2027 tot 1 januari 2037 wordt de premiegrens met 3%-punt verhoogd. De premiegrens is dan 33% van de pensioengrondslag om hiermee deelnemers te kunnen compenseren voor de toekomstige gemiste pensioenopbouw.

De premiegrens van 33% wijzigt alleen tijdens de compensatieperiode bij een wijziging in de scenariosets waardoor de premiegrens met meer dan 5%-punt zou wijzigen. Na 1 januari 2037 kan de premiegrens iedere 5 jaar wijzigen. Een wijziging moet 3 jaar van tevoren duidelijk zijn.

3. Balans doelstelling en premie

De sociale partners of een werkgever met alle werknemers samen maken een pensioendoelstelling. Met deze pensioendoelstelling berekent een pensioenuitvoerder de premie. Het doel van het nieuwe pensioenstelsel is dat iedere deelnemer een koopkrachtig pensioen ontvangt.

4. Toets risicohouding

Pensioenuitvoerders moeten de risicohouding van deelnemers per leeftijdsgroep duidelijk maken in het nieuwe pensioencontract.

5. Hoogte pensioen

De hoogte van het projectierendement bepaalt de hoogte van de pensioenuitkering. Een deelnemer mag zijn projectierendement kiezen binnen de wettelijke kaders. Is het projectierendement hoog? Dan begint de pensioenuitkering hoog, maar is de kans op financiële tegenvallers groter. Is het projectierendement laag? Dan begint de pensioenuitkering laag, maar is de kans op een financiële meevaller groter. Het projectierendement mag niet hoger zijn dan het wettelijk maximale projectierendement. Ook moet het projectierendement passen bij de risicohouding.

Het projectierendement is een rekenmethode in het nieuwe pensioenstelsel. Het projectierendement kan worden gebruikt bij het berekenen van de premie, de pensioenuitkering en in de communicatie over het verwachte pensioen.

 

Met aannames kunnen verschillende scenario’s doorgerekend worden. Deze scenariosets kunnen gebruikt worden om de hoogte van een pensioenuitkering te berekenen in een paar scenario’s.

 

Parameters zijn bepaalde meetwaarden. Parameters worden bijvoorbeeld gebruikt bij de berekening van de toekomstige verplichtingen voor pensioenfondsen.

Keuzemogelijkheden deelnemer

Een deelnemer heeft de volgende keuzemogelijkheden in het nieuwe pensioenstelsel:

  1. een lager of hoger projectierendement;
  2. bedrag ineens afkopen op pensioeningangsdatum;
  3. hoog-laagpensioen;
  4. laag-hoog pensioen;
  5. vervroegde pensioeningang;
  6. uitstel pensioeningang; of
  7. uitruil van partnerpensioen voor een hoger ouderdomspensioen.

Een deelnemer mag optie 2 niet combineren met optie 3 en optie 4.

Praktische tip

De meeste keuzemogelijkheden bestaan nu al. Bijvoorbeeld optie 2 bestaat al door de Wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen. Deze extra mogelijkheid wordt in de wet opgenomen per 1 juli 2023. Het bedrag ineens houdt in dat de klant maximaal 10% van het pensioen op de ingangsdatum mag opnemen.

 

Op verzoek van de deelnemer moet de pensioenuitvoerder meewerken aan een opname ineens van een lager percentage dan 10%, bijvoorbeeld 5% of 1%. Dit geldt ook voor de pensioenuitvoerder waarbij een uitkering wordt aangevraagd in het kader van shoprecht. Daarnaast gaat de mogelijkheid van opname van maximaal 10% ineens ook gelden voor lijfrenten en pensioenen in eigen beheer die niet zijn omgezet naar een oudedagsverplichting.

 

Het bedrag ineens wordt berekend over het pensioenkapitaal dat is bestemd voor alleen het ouderdomspensioen of voor ouderdomspensioen inclusief partnerpensioen. Pensioenuitvoerders mogen kiezen welke variant ze aanbieden. Is het partnerpensioen betrokken bij het bedrag ineens? Dan is toestemming van de partner nodig.

 

De mogelijkheid van afkoop van maximaal 10% van het pensioen, lijfrente of pensioen in eigen beheer biedt nieuwe mogelijkheden voor een financieel plan rond de pensioendatum van de klant. Neem deze mogelijkheid mee in jouw advies aan de klant.

Overstap naar nieuw pensioenstelsel

Alle pensioenuitvoerders moeten gebruikmaken van het projectierendement en de wettelijke parameters. De overheid bepaalt de parameters. DNB bepaalt de scenariosets.

Een werkgever kan overstappen naar het nieuwe pensioenstelsel vanaf 1 juli 2023. Vanaf de overstap gelden de regels uit het nieuwe pensioenstelsel. Voor 1 januari 2027 moet iedereen zijn overgestapt op één van de drie premieregelingen. In deze tussenliggende periode geldt een tijdelijk wettelijk transitiekader.

Wil een pensioenfonds overstappen? Dan hoeft deze pensioenuitvoerder geen minimaal vereist vermogen aan te houden om over te mogen stappen. Zij moeten dan wel ieder jaar een overbruggingsplan maken voor DNB. Het doel hiervan is dat de overstap financieel verantwoord is voor de deelnemers. In het overbruggingsplan staan afspraken over het vermogen dat het pensioenfonds moet hebben om over te mogen stappen.

Is het wetsvoorstel ingegaan op 1 juli 2023? Dan hebben sociale partners en werkgevers tot 1 januari 2025 de tijd om een nieuwe premieregeling af te spreken en het transitieplan af te ronden. Vanaf 1 januari 2025 hebben pensioenuitvoerders nog 1 jaar en 6 maanden de tijd om een plan op te stellen voor de overstap.

Lukt het niet om over te stappen naar het nieuwe pensioenstelsel voor 1 januari 2027? Dan voldoet de pensioenregeling niet meer aan de wettelijke eisen. Dit heeft gevolgen voor de omkeerregel, de dekking bij overlijden en arbeidsongeschiktheid. Lukt het werknemers en de werkgever niet om tot afspraken te komen? Dan zullen zij mogelijk naar de rechter stappen.

Korten tijdens overstap

Heeft een pensioenfonds niet het vereiste vermogen voor de overstap? Dan worden de opgebouwde pensioenrechten en uitkeringen gekort voor de overstap.

Indexeren tijdens overstap

Heeft een pensioenfonds voldoende vermogen en een beleidsdekkingsgraad die hoger is dan 105%? Dan mogen de pensioenuitkeringen worden geïndexeerd.

Bezwaarrecht

Stapt een pensioenfonds over naar het nieuwe pensioenstelsel? Dan kan een deelnemer geen individueel bezwaar maken. In ruil hiervoor gelden aanvullende collectieve waarborgen. Zijn de gevolgen van de overstap niet redelijk voor meerdere deelnemers? Dan kan een pensioenuitvoerder ervoor kiezen om voor deze specifieke groep niet over te stappen naar het nieuwe pensioenstelsel.

Fases overstap

Eerste fase: afspraken Tweede fase: onderbrengen Derde fase: implementatie
Planning Vanaf 1-1-2023 Vanaf 1-1-2023 Tot 1-1-2027
Maximale duur 2 jaar 6 maanden 1,5 jaar
Taak Sociale partners maken afspraken over de arbeidsvoorwaarde pensioen. Denk hierbij aan:

  • afspraken over de wijziging van de pensioenregeling; en
  • afspraken over de overstap naar het nieuwe pensioenstelsel.
Onderbrenging bij pensioenuitvoerder:

  • Pensioenuitvoerder stellen een implementatieplan en een communicatieplan op.
  • Pensioenuitvoerders aanvaarden de opdracht vanuit sociale partners om de pensioenregeling te wijzigen. Pensioenuitvoerders zijn niet verplicht om de opdracht te accepteren. Dan moeten sociale partners opnieuw onderhandelen.
Implementatie bij pensioenuitvoerders. Denk hierbij aan:

  • het aanpassen van ICT-systemen;
  • het omzetten van bestaande pensioenaanspraken en pensioenrechten naar een nieuwe premieregeling;
  • communicatie naar deelnemers; en
  • de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel moet afgerond zijn voor 1-1-2027.

Gevolgen voor verschillende pensioenuitvoerders

Verzekeraars en PPI’s Verzekeraars en PPI’s kunnen een nieuwe pensioenregeling afspreken met een werkgever tot 1 oktober 2026. Zij kunnen namelijk al voorwerk doen in het communicatieplan en het implementatieplan voor de productontwikkeling.

Moet een pensioenregeling per 1 januari van het jaar ingaan? Dan moet de bindende offerte voor 1 oktober van het vorige jaar zijn ontvangen door de pensioenuitvoerder. Werkgevers hebben dus tot uiterlijk 1 oktober 2026 hiervoor de tijd.

Loopt een bestaande pensioenregeling af op 1 juli 2023? Dan kan de werkgever overstappen per die datum naar het nieuwe pensioenstelsel. De verzekeraar of PPI moet dan wel alle stappen gezet hebben die nodig zijn voor de overstap.

De verzekeraar of PPI informeert de werkgever met een voorstel om de pensioenregeling te wijzigen. De werkgever is verantwoordelijk voor de wijziging van de pensioenregeling. De kans is groot dat de werkgever om hulp zal vragen van een pensioenadviseur om het voorstel van de verzekeraar of PPI te beoordelen.

Pensioenfondsen Werkgevers en werknemers moeten voor 1 januari 2025 een pensioenakkoord sluiten en het transitieplan hebben afgerond en hebben aangeboden aan het pensioenfonds.
Bedrijfstakpensioenfonds Is een werkgever vrijwillig aangesloten bij een bedrijfstakpensioenfonds? Dan moet de werkgever minimaal een even goede pensioenregeling aanbieden als de verplicht aangesloten werkgevers. Deze werkgevers kunnen dus pas starten met de arbeidsvoorwaardelijke fase als de verplicht aangesloten werkgevers dit proces hebben afgerond.

Praktische tip

De Stichting van de Arbeid, de Pensioenfederatie en het Verbond van Verzekeraars gaan een handleiding schrijven. In de handleiding staat beschreven hoe de overstap naar het nieuwe pensioenstelsel geregeld wordt. Verder maken zij een informatieplatform. Op dit platform komt ook aandacht voor de pensioenadviseur, zodat de pensioenadviseur zich goed kan voorbereiden op het nieuwe pensioenstelsel.

 

Op 1 juli 2022 is het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen gewijzigd. Pensioenfondsen kunnen hierdoor dit jaar al gebruikmaken van de nieuwe regels om pensioenuitkeringen te indexeren sinds 1 juli 2022. Klik hier voor meer informatie over deze wijziging.

 

Bij pensioenfondsen geldt het bezwaarrecht niet in de overgangsfase naar het nieuwe pensioenstelsel. Bij verzekerde pensioenovereenkomsten mag de ondernemingsraad (OR) zijn mening geven. De kans is aanwezig dat de OR niet akkoord gaat met een overgang naar het nieuwe pensioenstelsel. Dan is een akkoord met individuele werknemers lastiger te bereiken. Wijs jouw klanten hierop.

 

Heeft een individuele deelnemer een klacht over de keuze om in te varen naar het nieuwe pensioenstelsel? Dan kan de deelnemer naar de rechter stappen of naar een externe Geschillencommissie.

 

Door het wetsvoorstel worden een aantal aanvullende waarborgen gemaakt om de belangen van de deelnemers bij pensioenfondsen te beschermen in de overstap naar het nieuwe pensioenstelsel. Eén van deze waarborgen is het vergroten van de rol van het verantwoordingsorgaan*.

 

Klik hier voor meer informatie over het bezwaarrecht tijdens de overstapfase naar het nieuwe pensioenstelsel.

* Het verantwoordingsorgaan adviseert het bestuur over het maken van beleid. Het verantwoordingsorgaan beoordeelt ieder jaar achteraf of het bestuur goed gehandeld heeft.

Transitieplan

Iedere werkgever met een voor 1 juli 2023 bestaande pensioenovereenkomst moet in de transitieperiode een transitieplan maken in overleg met de werknemers of vertegenwoordigers van de werknemers en de betrokken of beoogde pensioenuitvoerder.

Inhoud transitieplan

In het transitieplan staat waarom de werkgever kiest voor een bepaalde pensioenovereenkomst. Ook moet de werkgever onderbouwen dat de overstap verantwoord is.

Het transitieplan bestaat verplicht uit minimaal de volgende onderdelen:

  • het karakter en de inhoud van de gekozen pensioenovereenkomst;
  • de keuze voor wel of niet invaren of de keuze voor collectief waardeoverdragen met een onderbouwing hiervan aan de pensioenuitvoerder;
  • bij niet invaren of waardeoverdragen: informatie over hoe de werkgever omgaat met bestaande aanspraken en rechten en waarom;
  • een overzicht van de gevolgen per leeftijdsgroep van de overstap op een pensioenovereenkomst met een niet-leeftijdsafhankelijke premie;
  • de afspraken over compensatie door een lagere pensioenuitkering;
  • een financieringsplan voor deze compensatie; en
  • afspraken over de invulling van de solidariteitsreserve of de risicodelingsreserve.

Heeft de werkgever het transitieplan afgerond? Dan moet de werkgever binnen 2 weken het transitieplan opsturen naar de pensioenuitvoerder. De pensioenuitvoerder beoordeelt het plan en stelt het plan beschikbaar op haar website, zodat het plan inzichtelijk is voor alle deelnemers.

Invaren

Oude pensioenaanspraken die zijn opgebouwd bij pensioenfondsen worden omgezet in nieuwe pensioenrechten bij het invaren. Dit is de standaardmethode. Dit betekent dus dat ieder pensioen omgezet wordt naar het nieuwe pensioenstelsel. De werkgever kan in overleg met het betreffende pensioenfonds afwijken van de standaardmethode als deze niet in het belang blijkt te zijn van de deelnemers. De werkgever kan ook kiezen voor een value-based ALM-methode. Deze methode is complexer.

De oude pensioenaanspraken die zijn opgebouwd bij verzekeraars en PPI’s kunnen collectief worden overgedragen naar de nieuwe pensioenregeling of kunnen achterblijven in de oude regeling. Hiertoe bestaat al een systeem van collectieve waardeoverdracht dat niet wijzigt door de Wet toekomst pensioenen.

Compensatie

Compensatie is alleen mogelijk voor actieve deelnemers die toekomstige pensioenopbouw missen door de overstap naar het nieuwe pensioenstelsel. Actieve deelnemers kunnen zowel bestaande als nieuwe deelnemers zijn. De compensatie gebeurt per leeftijdsgroep. De compensatieperiode moet voor 2037 afgerond zijn.

Stapt een werknemer over naar een nieuwe werkgever tijdens de compensatieperiode? Dan stroomt de deelnemer in in de compensatieregeling bij de nieuwe werkgever als deze er is. Een overstap naar een nieuwe werkgever kan dus zorgen voor een betere compensatieregeling, maar ook voor een slechtere of geen compensatieregeling. Hetzelfde geldt voor een werkgever die wisselt van pensioenregeling.

Sociale partners en pensioenfondsen kunnen ervoor kiezen om gebruik te maken van een compensatiedepot of van een opslag op de pensioenpremie voor de compensatie. De financiering en de regels over wanneer de compensatiepremie stopt, moeten vooraf duidelijk zijn. De financiering komt terug in de uitvoeringsovereenkomst. De duur en de afhankelijkheden van de compensatiepremie komen terug in het pensioenreglement.

Evenwichtige overstap

In het transitieplan moet de werkgever verantwoorden dat de overstap naar het nieuwe pensioenstelsel evenwichtig is. De werkgever moet dus een vergelijking gaan maken tussen de huidige pensioenregeling en de pensioenregeling in het nieuwe pensioenstelsel. De werkgever moet dan onderbouwen waarom de overstap verantwoord is. De transitie mag ervoor zorgen dat sprake is van herverdeling van de pensioengelden over de verschillende leeftijdsgroepen, zolang dit verantwoord is.

Evenwichtige overstap

In het transitieplan moet de werkgever verantwoorden dat de overstap naar het nieuwe pensioenstelsel evenwichtig is. De werkgever moet dus een vergelijking gaan maken tussen de huidige pensioenregeling en de pensioenregeling in het nieuwe pensioenstelsel. De werkgever moet dan onderbouwen waarom de overstap verantwoord is. De transitie mag ervoor zorgen dat sprake is van herverdeling van de pensioengelden over de verschillende leeftijdsgroepen, zolang dit verantwoord is.

Transitiecommissie

Lukt het de sociale partners, werkgevers en werknemers niet om een samen een transitieplan op te stellen? Dan kunnen zij de tijdelijke transitiecommissie vragen om te bemiddelen of om een bindend advies te geven.

Gaat het om een pensioenregeling die ondergebracht wordt bij een pensioenfonds? Dan kan de commissie tot 1 juli 2024 gevraagd worden om een bindend advies te geven. Gaat het om een pensioenregeling die ondergebracht wordt bij een verzekeraar? Dan geldt de termijn tot 1 januari 2026.

Rollen en verantwoordelijkheden

Rol Verantwoordelijkheid
Sociale partners Sociale partners onderhandelen over de vormgeving van de pensioenregeling. Zij kiezen de niet-leeftijdsafhankelijke premie in het nieuwe pensioenstelsel. Sociale partners spreken dus een premie af in relatie tot de pensioendoelstelling.
Werkgever De werkgever en de werknemers spreken onderling het pensioencontract af. Zij kunnen hierover dus inhoudelijke afspraken maken.
Werkgevers zijn verantwoordelijk voor het transitieplan. Zij zijn wettelijk verplicht om een transitieplan op te stellen.
Is een werkgever aangesloten bij een bedrijfstakpensioenfonds? Dan ligt de verantwoordelijkheid voor het transitieplan bij de partijen die de pensioenregeling hebben afgesproken.
Is een werkgever aangesloten bij een beroepspensioenfonds? Dan ligt de verantwoordelijkheid voor het transitieplan bij de beroepspensioenvereniging.
De werkgever is verantwoordelijk voor de wijziging van de pensioenregeling. De werkgever hoeft niet verplicht een pensioenadviseur te betrekken hierbij.
Werknemer De werkgever en de werknemers spreken onderling het pensioencontract af. Zij kunnen hierover dus inhoudelijke afspraken maken.
Pensioenuitvoerder Pensioenuitvoerders zijn verantwoordelijk voor het vaststellen van de risicohouding. Zij bepalen vervolgens hiermee het beleggingsbeleid. Ook gaan zij over de inrichting van de solidariteitsreserve of risicodelingsreserve.

Praktische tip

Helpt een pensioenadviseur mee bij het opstellen van een transitieplan? Dan blijft de werkgever nog steeds verantwoordelijk voor het transitieplan. De adviseur kan bijvoorbeeld wel helpen met het maken van berekeningen voor de werkgever. Ook de pensioenuitvoerder heeft hierin een rol.

 

De OR of de individuele werknemer hoeft niet akkoord te gaan met het transitieplan. De werkgever moet wel de belangen van de werknemers meewegen bij de overstap naar een nieuwe pensioenregeling. Ook kan een werkgever vragen aan de werknemers en aan de OR om het transitieplan te lezen en feedback te geven.

 

Het wetsvoorstel Wet toekomst pensioenen wijzigt ook de Wet verplichte beroepspensioenregeling. Het enige dat wijzigt, is dat de beroepspensioenvereniging het transitieplan moet maken. Ook moet de beroepspensioenvereniging het verzoek doen voor een collectieve waardeoverdracht bij de overstap naar het nieuwe pensioenstelsel.

Implementatieplan

De werkgever en pensioenuitvoerder sluiten een uitvoeringsovereenkomst. In de uitvoeringsovereenkomst staan de gemaakte afspraken tussen de werkgever en de pensioenuitvoerder. Pensioenuitvoerders zijn vervolgens verantwoordelijk voor de invoering en uitvoering van de pensioenovereenkomst.

Wil de werkgever overstappen naar het nieuwe pensioenstelsel vanuit een bestaande pensioenregeling? Dan moet de pensioenuitvoerder een implementatieplan opstellen. In het Implementatieplan staat aangegeven welke voorbereidingen de pensioenuitvoerder uitvoert om over te kunnen stappen naar het nieuwe pensioenstelsel. Ook geeft de pensioenuitvoerder hierin aan op welke manier omgegaan zal worden met de opgebouwde pensioenaanspraken en pensioenrechten. Een onderdeel van het implementatieplan is het communicatieplan. De AFM houdt toezicht op het communicatieplan en de uitvoering van het communicatieplan.

Communicatieplan

In de nieuwe pensioenovereenkomst moet de pensioenuitvoerder de deelnemer informatie geven over de volgende onderwerpen:

  • de pensioenpremie die per deelnemer moet worden betaald;
  • het deel van de premie voor de eigen pensioenopbouw;
  • het deel van de premie dat bestemd is voor de solidariteitsreserve of risicodelingsreserve;
  • toename of afname van het de prognose van het op te bouwen pensioenvermogen;
  • stortingen op en opnames van het pensioenvermogen; en
  • verdeling van de resultaten, zoals bijvoorbeeld de beleggingsresultaten.

Informatieverplichting in de overgangsfase

Deelnemers krijgen de volgende informatie te zien vanuit de pensioenuitvoerder in de overgangsfase naar het nieuwe pensioenstelsel:

  • de hoogte van het te verwachten pensioen voor de overstap;
  • de hoogte van het te verwachten pensioen na de overstap; en
  • de genomen compensatiemaatregelen.

Praktische tip

Klik hier voor meer informatie over de overstap naar het nieuwe pensioenstelsel.

 

Klik hier voor meer informatie voer het implementatieplan.

Nettopensioen

Ook onder het nieuwe pensioenstelsel blijft het mogelijk om pensioen op te bouwen boven de aftoppingsgrens. De premie is dan niet aftrekbaar van de loon- of inkomstenbelasting en de uitkering is onbelast. Het pensioenkapitaal is wel vrijgesteld van box 3-heffing.

Voor een nettopensioenregeling kunnen wel leeftijdsafhankelijke premies worden toegezegd. Deze pensioenregeling heeft namelijk een vrijwillig karakter. Bij het netto-ouderdomspensioen en nettopartnerpensioen bij overlijden op of na pensioendatum gelden dezelfde nieuwe fiscale premiegrenzen als bij het fiscaal gefaciliteerde ouderdomspensioen. De fiscale premiegrens wijzigt alleen door de nettofactor. Het nettopensioen moet hierdoor wel in overeenstemming worden gebracht met de voorgestelde wijzigingen van het partnerpensioen en wezenpensioen. Verder mogen de bruto en netto geldstromen naar de solidariteitsreserve of risicodelingsreserve en het bruto en netto deel van de persoonlijke pensioenvermogens niet door elkaar heen lopen in de administratie.

Overgangsrecht nettopensioen

Voor het nettopensioen geldt een beperkt overgangsrecht. Dit soort regelingen moeten uiterlijk op 1 januari 2027 aangepast worden aan het voorgestelde fiscale kader vanaf 1 juli 2023. Tot die tijd mogen nog de huidige fiscale grenzen worden gebruikt voor bestaande nettopensioenregelingen.

Excedentregelingen

Excedentregelingen zijn meestal niet vrijwillig voor werknemers, maar zijn een aanvulling op bijvoorbeeld een verplichtgestelde pensioenregeling via een bedrijfstakpensioenfonds. Ook hier geldt een uitzondering door het vrijwillige karakter van deze pensioenregeling. Een excedentregeling met een leeftijdsafhankelijke premie kan hierdoor dus nog steeds afgesloten worden vanaf 1 juli 2023.

Excedentregelingen

Excedentregelingen zijn meestal niet vrijwillig voor werknemers, maar zijn een aanvulling op bijvoorbeeld een verplichtgestelde pensioenregeling via een bedrijfstakpensioenfonds. Ook hier geldt een uitzondering door het vrijwillige karakter van deze pensioenregeling. Een excedentregeling met een leeftijdsafhankelijke premie kan hierdoor dus nog steeds afgesloten worden vanaf 1 juli 2023.

Afschaffing UPO en Pensioen 1-2-3

De regering stelt voor om het Uniform Pensioenoverzicht (UPO) af te schaffen. Het gaat dan met name om de afschaffing van de vormgeving in het document zelf. De inhoud moet de deelnemer wel blijven ontvangen. Dit kan mogelijk ook door gebruik te maken van mijnpensioenoverzicht.nl.

Hetzelfde geldt voor Pensioen 1-2-3. Pensioenuitvoerders krijgen hierdoor de ruimte om de informatie over het pensioen beter te laten aansluiten bij de doelgroep. Pensioenuitvoerders worden verplicht om informatie te geven die aanzet tot actie bij de deelnemer. De deelnemer moet weten wat hij kan doen met de informatie.

Verstrekken van informatie

Heeft de deelnemer geen voorkeur aangegeven en heeft de pensioenuitvoerder geen e-mailadres van de deelnemer? Dan moet de pensioenuitvoerder de informatie schriftelijk geven. Stelt de pensioenuitvoerder de informatie beschikbaar in bijvoorbeeld een online omgeving? Dan moet de pensioenuitvoerder de deelnemer hierop wijzen. De deelnemer heeft het recht om de informatie op een andere manier te ontvangen.

Praktische tip

De grens voor een nettopensioen is € 114.866,- in 2022.

Derde pijler

De fiscale premieruimte in de tweede pijler wordt gelijk aan de fiscale premieruimte in de derde pijler. Ook hier geldt dus de premiegrens van 30% van de pensioengrondslag. De AOW-franchise in de tweede pijler geldt ook voor de derde pijler.

Inhaalruimte en reserveringsruimte

De regering wil verder de termijn van de reserveringsruimte verlengen van 7 jaar naar 10 jaar. Belastingplichtigen kunnen hierdoor over een langere periode hun niet-benutte jaarruimte inhalen. Verder vervalt de beperking van 17% van de premiegrondslag. Dit percentage wordt vervangen voor een maximaal bedrag van € 38.000,- per jaar.

Voorbeeld

Hans (40) is ondernemer. Hij begint in 2026 met het opbouwen van een lijfrente. Hij heeft niet eerder pensioen opgebouwd. De premiegrondslag van Hans is € 30.000,- per jaar.

Zijn reserveringsruimte is dan als volgt:

Jaar Premiegrondslag Aftrekbare premie Niet benutte jaarruimte
2016 € 30.000,- 13,8% € 4.140,-
2017 € 30.000,- 13,8% € 4.140,-
2018 € 30.000,- 13,3% € 3.990,-
2019 € 30.000,- 13,3% € 3.990,-
2020 € 30.000,- 13,3% € 3.990,-
2021 € 30.000,- 13,3% € 3.990,-
2022 € 30.000,- 13,3% € 3.990,-
2023 € 30.000,- 30% € 9.000.-
2024 € 30.000,- 30% € 9.000.-
2025 € 30.000,- 30% € 9.000.-
Totaal € 55.230,-

Hans mag in totaal € 38.000,- van zijn inhaalruimte benutten.

Samenloop tweede en derde pijler

Wil een belastingplichtige pensioen opbouwen in de derde pijler en bouwt de belastingplichtige ook pensioen op in de tweede pijler? Dan moet de belastingplichtige de ingelegde premies in de tweede pijler aftrekken van de premieruimte in de derde pijler. Ontvangt een belastingplichtige compensatie? Dan hoeft de belastingplichtige de ingelegde premie voor de compensatie niet af te trekken van de premieruimte in de derde pijler. De berekening van 6,27 x factor A wordt vervangen voor de nieuwe berekening. De berekening van de jaarruimte wordt hiermee een stuk eenvoudiger. Voor de factor A geldt dat deze nog tot 1 januari 2028 zal plaatsvinden volgens de huidige berekening. Dit geldt alleen voor belastingplichtigen die onder het overgangsrecht vallen.

Redelijke termijnen gelijkgetrokken in tweede en derde pijler

In de tweede en derde pijler gelden verschillende termijnen voor de uiterlijke ingangsdatum van de pensioenuitkering. De regering trekt deze termijnen gelijk aan elkaar. De wettelijke termijn uit de derde pijler gaat hierdoor ook gelden voor de tweede pijler. Een pensioenuitkering moet daarom uiterlijk ingaan op 31 december van het volgende kalenderjaar. Bij overlijden moet de uitkering uiterlijk ingaan in het daaropvolgende kalenderjaar.

De jaarruimte is het bedrag dat een belastingplichtige per jaar belastingvriendelijk mag storten bij een pensioentekort. De belastingplichtige kan het bedrag bijvoorbeeld storten in een lijfrente.

 

Heeft een belastingplichtige zijn jaarruimte niet gebruikt? Dan heeft de belastingplichtige mogelijk nog een reserveringsruimte. De reserveringsruimte bestaat uit de jaarruimten over een bepaald aantal jaren bij elkaar opgeteld.

Wettelijke zorgplicht tweede en derde pijler

Een pensioenuitvoerder krijgt een wettelijke zorgplicht bij een definitieve keuze van de deelnemer voor een deels vaste pensioenuitkering en bij een deels variabele pensioenuitkering in het nieuwe pensioenstelsel. Het risicoprofiel van de deelnemer moet namelijk aansluiten bij de verdeling tussen de vaste pensioenuitkering en de variabele pensioenuitkering. Een pensioenuitvoerder moet een digitale omgeving opstellen om de deelnemer te begeleiden bij de keuze. De deelnemer is zelf verantwoordelijk voor zijn gemaakte keuze. Een pensioenuitvoerder hoeft geen rekening te houden met de gevolgen voor belastingen en toeslagen voor de deelnemer. De pensioenuitvoerder moet de deelnemer wel wijzen op de mogelijke gevolgen, de risico’s en de voor- en nadelen van de gemaakte keuze.

Wettelijke zorgplicht tweede en derde pijler

Een pensioenuitvoerder krijgt een wettelijke zorgplicht bij een definitieve keuze van de deelnemer voor een deels vaste pensioenuitkering en bij een deels variabele pensioenuitkering in het nieuwe pensioenstelsel. Het risicoprofiel van de deelnemer moet namelijk aansluiten bij de verdeling tussen de vaste pensioenuitkering en de variabele pensioenuitkering. Een pensioenuitvoerder moet een digitale omgeving opstellen om de deelnemer te begeleiden bij de keuze. De deelnemer is zelf verantwoordelijk voor zijn gemaakte keuze. Een pensioenuitvoerder hoeft geen rekening te houden met de gevolgen voor belastingen en toeslagen voor de deelnemer. De pensioenuitvoerder moet de deelnemer wel wijzen op de mogelijke gevolgen, de risico’s en de voor- en nadelen van de gemaakte keuze.

Advies

Een pensioenuitvoerder mag een deelnemer begeleiden bij het maken van de keuzes die de deelnemer maakt of kan maken binnen de pensioenregeling. De pensioenuitvoerder mag geen financieel product adviseren of daarin bemiddelen. Door de zorgplicht voor keuzebegeleiding moeten pensioenuitvoerders deelnemers meer doen dan alleen informeren. Een pensioenuitvoerder mag hierbij dus een vorm van advies geven.

Praktische tip

De maximale premieruimte in de derde pijler wordt verhoogd van 13,3% van de premiegrondslag naar 30% van de premiegrondslag. Verder wil de regering het mogelijk maken dat een klant tot 5 jaar na het bereiken van de AOW-leeftijd pensioen op kan bouwen in de derde pijler.

 

Klanten worden begeleid door pensioenuitvoerders. De keuzebegeleiding is alleen beperkt tot de informatie die geldt voor de pensioenregeling die de pensioenuitvoerder uitvoert. Dit gaat minder ver dan het financieel advies dat een adviseur geeft volgens de Wft. Zo is het pensioenadvies van een pensioenuitvoerder beperkt tot de eigen regeling en dat is voor een volwaardig advies meestal te beperkt volgens de Wft. Een volledig advies blijft nodig voor de klant waarin alle mogelijkheden compleet meegenomen worden.

Nabestaandenpensioen

Het kabinet wil het partnerpensioen en wezenpensioen wijzigen vanaf 1 juli 2023. De wijzigingen moeten voor 1 januari 2027 zijn doorgevoerd in de pensioenregelingen.

Wijzigingen partnerpensioen

De volgende wijzigingen gelden alleen bij overlijden voor de pensioendatum:

  • Het partnerpensioen voor pensioendatum wordt verzekerd op risicobasis. Opbouwen is alleen nog toegestaan na de pensioendatum.
  • De hoogte van het partnerpensioen is maximaal 50% van het hele salaris, zonder rekening te houden met een AOW-franchise maar wel tot maximaal de loongrens.
  • De dekking is niet afhankelijk van het arbeidsverleden.
  • De voorwaarden zijn gewijzigd om bij ongehuwden als partner te worden gezien. Een stel is fiscaal partner na 6 maanden samenwonen, maar zonder notarieel samenlevingscontract of direct bij een notarieel samenlevingscontract.

Wijzigingen wezenpensioen

Het kabinet wil ook het wezenpensioen wijzigen vanaf 1 juli 2023. Het gaat om de volgende wijzigingen:

  • De hoogte van het wezenpensioen is maximaal 40% voor volle wezen en 20% voor halfwezen van het pensioengevend salaris, zonder rekening te houden met een AOW-franchise.
  • De dekking is niet afhankelijk van het arbeidsverleden.
  • Het wezenpensioen wordt uitgekeerd tot een vaste eindleeftijd van 25 jaar.
  • Voorwaarden zoals het volgen van een studie vervallen.
  • Momenteel is een wezenpensioen mogelijk tot maximaal de leeftijd van 30 jaar. Ontvangt een wees nu een wezenpensioen volgens een regeling met een eindleeftijd van meer dan 25 jaar? Dan loopt het wezenpensioen door tot de eerder vastgestelde eindleeftijd.

Einde contract

Wat gebeurt er als de deelname aan de pensioenregeling bij de werkgever eindigt?

  • De risicodekking loopt nog 3 maanden door. Dit geldt ook als er geen sprake is van recht op een WW-uitkering.
  • Is er sprake is van een WW-uitkering? Dan loopt de risicodekking tijdens die WW-uitkering door.
  • Na afloop van de uitloopdekking mag de deelnemer ieder jaar kiezen of hij een deel van het ouderdomspensioen om wil zetten in een partnerpensioen op risicobasis. Het opgebouwde ouderdomspensioen wordt dan jaarlijks kleiner, omdat de premie voor het partnerpensioen wordt onttrokken uit het opgebouwde pensioenkapitaal.

Praktische tip

Zijn de wijzigingen in het nabestaandenpensioen doorgevoerd in het nieuwe pensioenstelsel? Dan is het verstandig om de financiële gevolgen bij overlijden in kaart te brengen voor de klant. Heeft de klant bijvoorbeeld nog een overlijdensrisicoverzekering lopen? Onderzoek dan of de klant niet oververzekerd raakt door een mogelijk verbeterd nabestaandenpensioen samen met een overlijdensrisicoverzekering.

 

Zijn de wijzigingen in het nabestaandenpensioen doorgevoerd in het nieuwe pensioenstelsel en gaat de klant scheiden? Dan is het ook verstandig om de financiële gevolgen bij overlijden in kaart te brengen voor deze klant. Heeft de klant bijvoorbeeld nog een overlijdensrisicoverzekering lopen? Dan kan het wel belangrijk zijn om de overlijdensrisicoverzekering te wijzigen afhankelijk van het klantprofiel en de nieuwe situatie van de klant.

Zelfstandigen en uitzendkrachten

Het kabinet gaat testen met wetgeving, waardoor pensioenuitvoerders kunnen afwijken van de Pensioenwet. Hierdoor wordt het mogelijk om een pensioenregeling vanuit de tweede pijler aan te bieden aan zelfstandigen. Zelfstandigen krijgen hierbij soepelere regels voor de variatie in de hoogte van de inleg van de premie. Onder zelfstandigen vallen alle zelfstandigen, dus ook dga’s. Het kabinet werkt verdere regels uit in een Algemene Maatregel van Bestuur.

Zelfstandigen

Zelfstandigen kunnen zich aansluiten bij de volgende pensioenregelingen:

  • Bij een bedrijfstakpensioenfonds als de zelfstandige in deze bedrijfstak werkt.
  • Bij een andere pensioenregeling die aangeboden wordt door:
    • een algemeen pensioenfonds;
    • verzekeraar; of
    • PPI.

Een zelfstandige kan zich aansluiten bij een bestaande pensioenregeling of aansluiten in een nieuw te vormen pensioenregeling speciaal voor zelfstandigen.

Wachttijd uitzendkrachten

De wachttijd voor deelname aan een pensioenregeling wordt 8 weken vanaf 1 juli 2023. Op dit moment is de wachttijd 26 weken. Door de kortere wachttijd neemt het aantal uitzendkrachten toe dat pensioen opbouwt. Heeft de uitzendkracht minimaal 8 weken gewerkt op 1 juli 2023? Dan geldt direct een deelname aan de pensioenregeling. Heeft de uitzendkracht minder dan 8 weken gewerkt op 1 juli 2023? Dan tellen deze weken wel mee in de berekening van de wachttijd. De pensioenopbouw werkt niet terug tot een bepaalde datum.

Praktische tip

De fiscale oudedagsreserve (FOR) wordt afgeschaft vanaf 2023. De bestaande regels blijven gelden voor de opgebouwde FOR’s. Dit betekent dat een zelfstandige pensioen op kan bouwen via een lijfrente of via de nieuwe wetgeving die voor zelfstandigen getest wordt.

AOW-leeftijd

Sinds 1 januari 2020 is de AOW-leeftijd minder snel omhooggegaan. Dit komt door afspraken in het pensioenakkoord. Deze afspraken zijn vastgelegd in de Wet temporisering verhoging AOW-leeftijd.

De AOW-leeftijd voor de aankomende periode is:

Jaartal AOW-leeftijd
2022 66 jaar + 7 maanden
2023 66 jaar + 10 maanden
2024 67 jaar
2025 67 jaar
2026 67 jaar
2027 67 jaar

Koppeling

De levensverwachting blijft gekoppeld aan de AOW-leeftijd en pensioenrichtleeftijd, maar op een andere manier. Nu is het zo dat als de levensverwachting stijgt met 1 jaar, de AOW-leeftijd en pensioenrichtleeftijd ook met 1 jaar stijgen. Vanaf 2026 wordt dit soepeler. Dan zorgt 1 jaar langer leven ervoor dat de AOW-leeftijd en pensioenrichtleeftijd met 8 maanden stijgen. De AOW-leeftijd en pensioenrichtleeftijd stijgen dan dus minder snel dan de levensverwachting.

Wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen

De Eerste Kamer is akkoord met de Wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen. Een aantal wijzigingen in het pensioenstelsel moet zorgen voor meer flexibiliteit en keuzevrijheid. Hierdoor komen meer mogelijkheden voor:

  • gedeeltelijke afkoop;
  • een vrijstelling van de RVU-heffing; en
  • verlofsparen.

Vanaf 1 juli 2023 is het mogelijk om het pensioen gedeeltelijk af te kopen. De vrijstelling van de RVU-heffing en de extra mogelijkheden bij het verlofsparen zijn ingegaan en werken terug tot 1 januari 2021.

Gedeeltelijke afkoop

Krijgt een pensioenuitvoerder het verzoek voor gedeeltelijke afkoop? Dan moet de pensioenuitvoerder hieraan meewerken. Het bedrag mag vrij worden besteed. Denk hierbij aan een aflossing op de eigenwoningschuld, een verbouwing aan de eigen woning of zelfs aan een vakantie.

Hierbij gelden de volgende voorwaarden:

  • Iedereen krijgt het recht om maximaal 10% van het opgebouwde ouderdomspensioen af te kopen op de ingangsdatum van het pensioen. De gedeeltelijke afkoop is een percentage tot 10% per opgebouwd ouderdomspensioen per pensioenuitvoerder. Een deelnemer mag dus ook minder dan 10% afkopen.
  • De gedeeltelijke afkoop gebeurt eenmalig op de ingangsdatum van het pensioen. De enige uitzondering hierop is deeltijdpensioen. Gaat een klant bijvoorbeeld voor 30% met deeltijdpensioen? Dan geldt de gedeeltelijke afkoop van maximaal 10% over deze eerste 30%. Gaat een klant later volledig met pensioen? Dan geldt de gedeeltelijke afkoop van maximaal 10% over de laatste 70%. Heeft een klant bij de eerste ingangsdatum van het deeltijdpensioen minder dan 10% gedeeltelijk afgekocht? Dan mag de klant dit gemiste percentage niet inhalen op een later ingangsmoment van het pensioen.
  • Maakt de deelnemer gebruik van gedeeltelijke afkoop? Dan mag de deelnemer niet meer kiezen voor een hoog-laagpensioen, omdat de pensioenuitkering dan te laag wordt.
  • Na de gedeeltelijke afkoop moet de jaarlijkse pensioenuitkering meer bedragen dan de afkoopgrens.
  • Zorgt de gedeeltelijke afkoop van het ouderdomspensioen voor een verlaging van het partnerpensioen? Dan moet de partner toestemming geven voor de gedeeltelijke afkoop.

Uitstelmogelijkheid

In het wetsvoorstel is een uitstelmogelijkheid geregeld. De uitstelmogelijkheid betekent dat een deelnemer de gedeeltelijke afkoop op een ander moment dan op de ingangsdatum van het pensioen kan ontvangen.

De volgende deelnemers krijgen het recht om gebruik te maken van de uitstelmogelijkheid:

  • Een deelnemer bij wie de ingangsdatum van het pensioen in dezelfde maand is als de maand waarin hij de AOW-leeftijd bereikt. Dit mag op de eerste dag van de maand zijn of op de dag waarop de deelnemer de AOW-leeftijd bereikt. Hoe korter de periode tussen het bereiken van de AOW-leeftijd en de gedeeltelijke afkoop, hoe makkelijker de regeling is voor deelnemers. Ook heeft de deelnemer dan minder kans op life-events. De deelnemer kan namelijk te maken krijgen met life-events tussen de pensioeningangsdatum en de datum van uitbetaling van de gedeeltelijke afkoop.
  • Een deelnemer bij wie de ingangsdatum van het pensioen op de eerste dag van de volgende maand is waarin hij de AOW-leeftijd bereikt.

Praktische tip

Heeft jouw klant een vaste pensioenleeftijd die ligt voor de AOW-leeftijd? Dan kan de klant dus geen gebruikmaken van de uitstelmogelijkheid van de gedeeltelijke afkoop. Wijs je klant erop dat hij nog wel steeds het recht heeft om maximaal 10% van het opgebouwde ouderdomspensioen af te kopen op de ingangsdatum van het pensioen.

 

Maakt een deelnemer uit bovenstaande doelgroep gebruik van de uitstelmogelijkheid? Dan betaalt de pensioenuitvoerder de gedeeltelijke afkoop uit in de maand januari van het jaar na het jaar waarin de deelnemer de AOW-leeftijd heeft bereikt. Hierdoor betaalt deze deelnemer het tarief in box 1 voor belastingplichtigen die de AOW-leeftijd hebben bereikt.

Pensioenuitkeringen

Maakt de deelnemer gebruik van gedeeltelijke afkoop van bijvoorbeeld 10%? Dan wijzigt de pensioenuitvoerder de grootte van het ouderdomspensioen naar 90%. De totale pensioenaanspraak blijft in grootte gelijk, maar wordt dus op een andere manier uitgekeerd door de gedeeltelijke afkoop.

Definitieve keuze bij bedrag ineens

Kiest een pensioendeelnemer ervoor om maximaal 10% af te kopen van het opgebouwde ouderdomspensioen? Dan is deze keuze definitief. Dit heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid duidelijk gemaakt.

Informatie

De pensioenuitvoerder moet deelnemers goed begeleiden en informeren bij het maken van een keuze. Dit komt, omdat de keuze definitief is en gevolgen heeft voor:

  • het belastbaar inkomen;
  • de toeslagen; en
  • de hoogte van de pensioenuitkering in de toekomst.

Pensioenuitvoerders

De pensioenuitvoerders en aanbieders van oudedagsvoorzieningen in de derde pijler moeten informatie geven aan alle deelnemers om te voorkomen dat een deelnemer geen goede keuze maakt. De pensioenuitvoerder stuurt een brief aan de deelnemer om de deelnemer informatie te geven over zijn keuzerecht. Heeft de deelnemer interesse in gedeeltelijke afkoop? Dan mag de deelnemer om persoonlijke informatie vragen aan de pensioenuitvoerder. De pensioenuitvoerder stuurt dan een tweede brief naar de deelnemer. In deze tweede brief staat de volgende informatie:

  • de hoogte van het afkoopbedrag;
  • de hoogte van de pensioenuitkering voor en na de afkoop;
  • de waarschuwingen voor de gevolgen van de gedeeltelijke afkoop op het inkomen en de toeslagen; en
  • de doorverwijzingen naar rekentools van de Belastingdienst en de SVB om de gevolgen te berekenen.

Overlijden

Heeft de deelnemer gebruikgemaakt van de uitstelmogelijkheid bij gedeeltelijke afkoop, maar overlijdt de deelnemer voor de uitbetalingsmaand in januari? Dan keert de pensioenuitvoerder de gedeeltelijke afkoop niet uit. De pensioenuitvoerder doet wel een nabetaling aan de inmiddels overleden deelnemer. Verduidelijkt is nu dat dit positieve bedrag in de nalatenschap komt.

Praktische tip

De hoogte van de nabetaling is 100% van de pensioenuitkering minus de al betaalde pensioenuitkering van 90% per maand die de overledene al aan pensioenuitkering heeft ontvangen.

 

Door deze nabetaling heeft de overledene niet te weinig aan pensioenuitkering gehad tijdens zijn leven. Deze nabetaling valt in de nalatenschap. Het bedrag is niet direct voor de partner van de overledene, omdat dit bedrag een ouderdomspensioen is.

Derde pijler

Het recht op gedeeltelijke afkoop geldt ook voor de individuele pensioenproducten in de derde pijler. Hierbij geldt wel een aanvullende voorwaarde. De waarde in het pensioenproduct moet namelijk meer bedragen dan de grens voor kleine lijfrenten na de gedeeltelijke afkoop.

Nettopensioen en nettolijfrente

Het recht op gedeeltelijke afkoop gaat ook gelden voor een nettopensioen en een nettolijfrente. Alleen bij de gedeeltelijke afkoop van een nettolijfrente geldt geen eis over het minimale bedrag dat over moet blijven na de gedeeltelijke afkoop.

Belastingheffing

Alleen over de gedeeltelijke afkoop moet belasting worden betaald voor de inkomstenbelasting. Hierover hoeft geen revisierente te worden betaald.

Echtscheiding

In onderstaand schema wordt duidelijk wat de gevolgen zijn van gedeeltelijke afkoop bij verevening of conversie.

Verevening Conversie
Scheiding voor de gedeeltelijke afkoop Maakt een deelnemer gebruik van gedeeltelijke afkoop? Dan heeft de ex-partner recht op een evenredig deel van deze afkoop. Iedere partner kan zelf kiezen of hij gebruik wil maken van gedeeltelijke afkoop bij zijn eigen pensioen.
Scheiding na de gedeeltelijke afkoop De verevening vindt plaats over het resterende pensioen. Conversie vindt plaats over het resterende pensioen.

Oudedagsverplichting (ODV)

De gedeeltelijke afkoop geldt niet voor een ODV. Een klant kan de ODV wel omzetten naar een pensioenproduct in de derde pijler om ook gebruik te kunnen maken van gedeeltelijke afkoop.

Pensioen in eigen beheer (PEB)

De gedeeltelijke afkoop geldt wel voor een opgebouwd PEB.

Vrijstelling voor de RVU-heffing

Werkgevers krijgen een eenmalige vrijstelling van de RVU-heffing per werknemer sinds 1 januari 2021 tot 1 januari 2026. Het doel van de vrijstelling is dat werknemers met een zwaar beroep eerder kunnen stoppen met werken.

De vrijstelling geldt in de volgende situatie:

  • Is de werknemer maximaal 3 jaar jonger dan de AOW-leeftijd? Dan mag de werkgever een bedrag uitkeren aan de werknemer om eerder te kunnen stoppen met werken. Dit mag ook een eenmalige uitkering zijn of een uitkering over een kortere periode dan 3 jaar.
  • Van de bruto uitkering die werkgevers betalen aan de werknemer, mag de werkgever de belastingen en de premie voor de volksverzekeringen aftrekken. De uiteindelijke netto uitkering na aftrek hiervan is maximaal een netto AOW-uitkering voor een alleenstaande. De netto AOW-uitkering voor een alleenstaande is gelijk aan de RVU-drempelvrijstelling. Over dit bedrag geldt geen RVU-heffing.
  • Krijgt een werknemer langer een uitkering dan 3 jaar voordat hij de AOW-leeftijd bereikt? Of krijgt de werknemer eerder een uitkering dan maximaal 3 jaar voordat hij de AOW-leeftijd bereikt? Dan is dit gedeelte belast met RVU-heffing. Is de uitkering hoger dan een netto AOW-uitkering voor een alleenstaande? Dan geldt over het hogere deel de RVU-heffing.

Overgangsrecht

Vanaf 1 januari 2026 geldt een overgangsrecht. Is voor 1 januari 2026 een uitkering voor de werknemer vanuit de werkgever schriftelijk vastgelegd? Dan geldt ook geen RVU-heffing in 2026, 2027 en 2028 als aan de bovenstaande voorwaarden wordt voldaan.

De Regeling voor Vervroegde Uittreding (RVU) is een regeling die een werkgever aan een werknemer kan aanbieden om de periode tot aan de AOW-leeftijd te overbruggen. De werknemer kan hierdoor eerder stoppen met werken.

De RVU-drempelvrijstelling is een drempelbedrag. Over dit bedrag geldt geen RVU-heffing. De RVU-drempelvrijstelling is gelijk aan de netto AOW-uitkering voor een alleenstaande.

Verlofsparen

Het maximaal op te sparen verlof van 50 weken wordt verhoogd naar 100 weken. Hierdoor kan een werknemer eerder stoppen met werken. De werknemer kan dit verlof ook al eerder opnemen in zijn loopbaan.

Naast het reguliere jaarlijkse verlof, is het mogelijk om bovenwettelijk verlof af te spreken in cao’s. Daarnaast is het mogelijk om overwerk of ploegendiensten te belonen als extra verlofopbouw.

Praktische tip

Heeft een werknemer een zwaar beroep en moeite om de AOW-leeftijd te behalen op een gezonde manier? Onderzoek dan of er afspraken zijn gemaakt in de cao over een Regeling voor Vervroegde Uittreding (RVU). In de volgende cao’s zijn hierover afspraken gemaakt:

  • Bouw en Infra;
  • Afbouw;
  • Schoonmaak- en glazenwassersbedrijf; en
  • Politie.

Verplichte AOV voor zelfstandigen

De Stichting van de Arbeid heeft een onderzoeksrapport gepresenteerd over de verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering (AOV) voor zelfstandigen. Met dit rapport kan het kabinet een wetsvoorstel gaan uitwerken.

Doelgroep

De volgende zelfstandigen vallen onder deze voorgestelde verzekeringsplicht:

  • zelfstandigen zonder personeel (zzp) met winst uit onderneming;
  • beroepsbeoefenaren met resultaat uit overige werkzaamheden;
  • een dga zonder personeel; en
  • meewerkende echtgenoten.

Een zelfstandige met personeel en gemoedsbezwaarden vallen niet onder de verzekeringsplicht.

Kenmerken verzekering

De volgende verzekeringskenmerken worden voorgesteld:

Verzekerd bedrag Het laatstverdiende jaarinkomen tot € 30.000,-
Uitkeringsbedrag 70% van het verzekerd bedrag
Uitkeringsduur Tot aan de AOW-leeftijd
Eigenrisicoperiode 6 maanden, 1 jaar (standaard) of 2 jaar
Premie Inkomensafhankelijk en fiscaal aftrekbaar
Arbeidsongeschiktheidscriterium Gangbare arbeid

Bij een verzekerd bedrag van € 30.000,- zal de premie ongeveer € 220,- bruto per maand zijn.

Het voorstel is dat de verzekering wordt aangeboden door het UWV, waarbij de Belastingdienst de premies ontvangt. Op deze manier kan het UWV actief helpen met de re-integratie van de zelfstandige. Een zelfstandige heeft de keuzevrijheid om een soortgelijke of aanvullende verzekering af te sluiten bij een verzekeraar.

Praktische tip

Zelfstandigen die al een AOV hebben afgesloten hoeven niet verplicht deel te nemen aan deze verplichte AOV. Als de lopende verzekering afloopt voor het bereiken van de AOW-leeftijd, stromen zij automatisch in de verplichte AOV. Wel is het raadzaam om als adviseur de voorwaarden van deze nieuwe verzekering mee te nemen in jouw advisering voor zowel bestaande als nieuwe klanten.

 

Ook zelfstandigen met gezondheidsproblemen komen in aanmerking voor deze verzekering. Extra gunstig voor deze doelgroep is dat de premie afhankelijk is van het inkomen en niet van de gezondheid. Informeer deze doelgroep hierover zodra deze verzekering wordt aangeboden.

Uitwerking verplichte AOV voor zelfstandigen

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft aangegeven wat al uitgewerkt is over de verplichte AOV voor zelfstandigen.

De minister gaat uit van het advies van de Stichting van de Arbeid bij het uitwerken van de AOV-verplichting. De minister heeft zeven hoofdonderwerpen vastgesteld die nog verder uitgewerkt moeten worden.

1. Doelgroep

De kring van verzekerden gaat over wie onder deze AOV-verplichting vallen. Dit zijn voor nu:

  • zzp’ers;
  • zelfstandigen met personeel;
  • dga’s zonder personeel;
  • resultaatgenieters; en
  • meewerkende echtgenoten.

Deze groep zal automatisch publiek verzekerd zijn. Zij mogen ook een private verzekering kiezen als deze minimaal dezelfde voorwaarden heeft bij de dekking, premie, uitkering en toegang tot de verzekering.

De volgende groep is nog niet automatisch publiek verzekerd:

  • dga’s met personeel;
  • gemoedsbezwaarden; en
  • personen met resultaat uit overige werkzaamheden.

De minister is nog aan het bepalen of de agrarische sector mogelijk uitgezonderd moet worden van de verzekeringsplicht. Door de grote hoeveelheid aan premies die de agrarische sector al moet betalen zou de premie van een AOV hier niet meer bij kunnen. Ook hebben zij al andere manieren waarop zij verzekerd zijn voor arbeidsongeschiktheid, zoals via het lidmaatschap van de agrarische bedrijfsverzorging.

2. Betalen van premie

Het UWV en de Belastingdienst hebben aangegeven dat het innen van premie lastig is door de verschillen in de doelgroep. De minister gaat dit makkelijker maken door het idee verder uit te werken van een eenvoudige verzekering. In deze eenvoudige verzekering zijn weinig keuzemogelijkheden en uitzonderingen voor de verzekerde.

3. Overgangsrecht

De minister moet nog onderzoeken hoe zelfstandigen die nu een private verzekering hebben, gemakkelijk kunnen overstappen naar een publieke verzekering.

4. Uitkering

De uitkering en de manier waarop uitgekeerd wordt, gaat zoveel mogelijk lijken op hoe dit gaat bij de WIA. Sluit de WIA niet goed aan, omdat het om zelfstandigen gaat? Dan wordt gekeken naar de oude Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ).

De uitkering zou hierdoor de volgende vorm hebben:

  • Vanaf 18 jaar kan het recht op een uitkering ontstaan tot aan de AOW-leeftijd.
  • Het minimumpercentage arbeidsongeschikt voor het ontvangen van een uitkering is 35%. Dit geldt na de wachttijd.
  • Voor de hoogte van de uitkering wordt gekeken naar het inkomen in het kalenderjaar voordat de zelfstandige ziek werd. Is dit financieel niet prettig voor de zelfstandige, omdat hij toevallig een financieel slecht jaar had? Dan wordt gekeken naar het gemiddelde inkomen in de afgelopen 5 jaar voordat de zelfstandige ziek werd.
  • De uitkering is maximaal 100% van het wettelijk minimumloon.
  • Komt de uitkering onder het sociaal minimum uit? Dan wordt deze door het UWV aangevuld tot aan het bijstandsniveau. De uitkering en de aanvulling samen kunnen niet hoger zijn dan het inkomen dat is gebruikt voor het vaststellen van de uitkering.

De minister moet nog onderzoeken hoe de uitkering gaat bij een zelfstandige die nog geen volledig kalenderjaar heeft gewerkt en ziek wordt.

5. Beoordeling recht op uitkering

Voor het bepalen of een zelfstandige een uitkering mag ontvangen, wordt gebruik gemaakt van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS). Dit systeem wordt ook gebruikt bij de WIA. Hiermee kan een schatting gemaakt worden van het inkomensverlies van een zelfstandige om zo de mate van arbeidsongeschiktheid te kunnen bepalen.

6. Werken na arbeidsongeschiktheid

De minister laat een onderzoek uitvoeren hoe ook zelfstandigen toegang kunnen krijgen tot een bedrijfsarts en arbozorg. Het doel van het onderzoek is om arbeidsongeschiktheid bij zelfstandigen beter te kunnen voorkomen en om zelfstandigen na arbeidsongeschikt sneller aan het werk te krijgen.

7. Betaalbaarheid

De uiteindelijke premie voor de AOV hangt af van de uiteindelijke vorm van de verzekering en kan hierdoor nog niet aangegeven worden. De minister vindt het hierbij wel belangrijk dat de zelfstandigen niet in een slechtere positie komen dan voor de ingangsdatum van de verplichte AOV.

De minister laat een onderzoek uitvoeren naar de mogelijkheden van het doorberekenen van de AOV-premie van zelfstandigen aan hun opdrachtgevers.

De minister geeft aan dat het aan het volgende kabinet is om daadwerkelijk beslissingen over de verplichte AOV te maken.

Praktische tip

De publieke AOV zal vooral interessant zijn voor zwaardere beroepen. Zij kunnen zich namelijk lastiger verzekeren en vaak tegen een hoge premie bij private verzekeraars. Breng alvast in kaart welke klanten door hun beroep geen of lastig een AOV kunnen krijgen en hierdoor straks voordeel kunnen krijgen door de publieke verzekering af te sluiten.

 

Voor klanten met een lager risico op arbeidsongeschiktheid kan het juist voordeliger zijn om de private verzekering te behouden. Heb je nog niet goed geïnventariseerd wat het risico op arbeidsongeschiktheid is bij je klanten? Doe dit dan alsnog. Hierdoor kun je nu al beter adviseren over een vrijwillige AOV. Later kun je deze vrijwillige AOV beter vergelijken met de verplichte AOV.

Ingangsdatum

De verplichtstelling gaat op zijn vroegst tussen 2027 en 2029 in.